Kleding Geuzenfeesten

Kleding tijdens de Geuzenfeesten

De kleding in de periode van 1500 tot 1600
Het vaststellen van de dagelijkse kleding ten tijde van de Watergeuzen is geen eenvoudige zaak. Literatuur hierover is nagenoeg niet aanwezig. Afbeeldingen bestaan er slechts van hen, wier status het noodzakelijk maakte hun beeltenis te laten ten toon spreiden. Het beeld van ‘Jan en Alleman’ daarentegen kon slechts worden achterhaald van enkele schilderijen, die het dagelijkse leven in die tijden voorstellen. Helaas moet worden geconstateerd dat ‘ het volk’ daarbij slechts als achtergrond fungeert, terwijl zij, die de toon aangaven duidelijk, in hun officiële kledij, het schouwspel beheersen.

Wat betreft de tijd van de bevrijding van de Nederlanden door de Geuzen moeten wij ons tevreden stellen met afbeeldingen uit de 18e eeuw. Ook hier kunnen wij ons wel een vertrouwd beeld vormen van hen, die de Geuzenvloot commandeerden. Blijkbaar hebben echter de Geuzen zelf nimmer kunstschilders kunnen inspireren. Daar staat tegenover dat de kleding van de zeeman niet zo aan mode­wisselingen onderhevig moet zijn geweest. Dientengevolge kunnen we volstaan met het beeld op te roepen van de vroegere vissers­man, gekleed met brede broek, fleurige wambuis en bivak­muts.
Hetzelfde kan worden gezegd van de ambachtsman in die tijden. Hun kleding paste zich aan het vak aan en kwam in de eerste plaats hierop neer, dat men zich gemakkelijk kon bewegen. In het alge­meen moet worden vastgesteld dat de stoffen en kleuren toen minder rijk geschakeerd waren. Er werden slechts kleuren gebruikt zoals: zwart, bruin, vuurrood, groen, naturel, en goud (brokaat).
Het blauw bijvoorbeeld werd zelden gedragen. Wol, linnen, zijde en fluweel moeten als stoffen worden genoemd, katoen bestond toen nog niet.
De modellen die hierbij vergezeld gaan lijken stoerder omdat de stoffen der voorname dames en ook van de heren inwendig dikwijls verstevigd werden zodat zij bijna als korset dienst deden. Hieronder wordt een overzicht gegeven dat voldoende mogelijk­heden presenteert om de ‘mode’ in die dagen voor u te laten spreken.

Gegoede burgerij:

Damesmodellen (de nummers en letters verwijzen naar tekeningen)

I eenvoudig kostuum:
kapje: wit katoen, lijfje: naturel, kraagje: idem, mouwen rood, rok: bruin
II religieuse:
in zwart of wit; kap:wit, voorpand is een in plooien vallend geheel
III voorname dame:
baret: rood met groene band op namaakhaar (goud), het haar meestal onzichtbaar, jak: zwart fluweel, onderjak: goud brokaat, ceintuur: goud brokaat, rok: blauw, bovenmouw: kleur rok, ondermouw: vuurrood met kanten manchetje, sier: gouden ketting
IV voorname dame:
wit katoenen mutsje, decolleté bedekt met wit batist, afgezet met goud gallon en bestikt met edelstenen, de halsope­ning afgewerkt met geplooide kant; japon: fel groen, ceintuur: rood, mouwen: gepoft met goud galon en wit manchetje, het geheel gecompleteerd met vuurrode stola in rood en groen
V voorname dame:
wit katoenen mutsje, japon donkerbruin damast met knoopslui­ting en gepofte mouw, ondermouw: zwart met wit kanten manchet­je, kraag: witte kant, vuurrode stola
VI voorname dame:
baret: paars met gele sluitband, decolleté bedekt met wit batist, afgezet met geplooide kant zowel boven alsonder, japon: paars met uit de splijting van de rok tevoorschijn komend een onderrok, mouw: geel evenals de strook langs de rok met wit kanten manchet, onderrok: groen met damast
VII voorname dame:
kapje: wit kant met geplooide voorbaan, japon met hoge kraag en kanten randje alsook kantrandje langs de mouw, mouwen: middenbaan en twee buitenbanen van de blouse evenals de afzetting bovenrok in zwart fluweel met goud geborduurde noppen, twee tussenbanen en de bovenrok van zwart satijn, door de gespleten bovenrok tevoorschijn komende onderrok is van paars fluweel
VIII voorname dame:
een sluier van wit batist, ceintuur as een gouden keten van schakels met afhangende gouden koorden en kwasten, mouwen: onderste mouw geplooid en vuurrood, om de pols met witte kant afgezet, driekwart mouw met warm bruin en van dezelfde stof als voering der bovenrok, blouse met aangeknipte mouw, boven­rok en uit de splijting der bovenrok tevoorschijn komende onderrok van heel donkerbruin fluweel, schouderkap: zwart fluweel, halsopening gevuld met wit batist en om de hals afgezet met gouden kralen
IX dame:
wit kanten muts met geplooide voorbaan, hals: hoog boord afgezet met kant, mouw: vijfvoudig gepoft, japon: grijs, cyclaamkleurig doorschijnend door spleten, jak: middenbaan grijs geflankeerd twee cyclaamkleurige banen, welke weer zijn geflankeerd door grijze banen, rok: grijs met uit de opening tevoorschijn komende onderrok van lichte cyclaamkleur

Herenmodellen

A. zwarte hoed met lage bol en brede rand, geplooide kraag, wambuis: zwart fluweel, mouw met brede manchetten, armgaten afgezet met zwart galon alsmede langs de voorsluiting en de slippen, wijde pofbroek tot onder de knie in de laarzen, laarzen omgeslagen onder de knie.
B. zwarte baret met rode banen, jak met schoot, hoog opstaande kraag met afwerking in witte kant, knoopsluiting tot de taille, rolvormige mouwinzet, mouwen met aan de voorkant een splijting waar de armen doorgaan, doch onderaan weer gesloten, korte zwarte pofbroek en lange zwarte kousen
C. baret, eventueel in de kleuren van het kostuum, wambuis met hoog opslaande kraag afgezet met witte kant, knoopsluiting voorkant, korte geschulpte schoot, rolvormige mouwinzet, mouw met witte kant afgezette riem om het middel, vuurrode cape met half opstaande kraag, donkere pofbroek tot over de knie met lichtgroene onderbroek die tussen de splitten in de boven­broek heen schijnt, zwarte kousen en kousenbanden met rode strik
D. platte hoed met lage bod en brede rand, wambuis donkergrijs met lange mouwen en wit kanten kraag, groene broek over de knie, lange kousen en rode cape, eveneens met platte kraag
E. bruine muts (naar damesmode ’65), wambuis: naturel met korte schoot, bruine mouwen, hemd eronder van rode baai, bruine broek tot onder de knie, blauwe kousen
F. geestelijke:
capuchon met wijde kraag, loshangend gewaad met wijde mouwen, samengebonden met een koord om het middel, zwarte stof
G. baret, zwart wambuis met oranjepaars gestreept voorpand, mouwen driedelig gepoft, paars en in de spleten oranje door­schijnend, onderste helft der mouw zwart, hoge zwarte kraag, afgezet met witte kant, broek: paars, oranje doorschijnend in de spleten, zwarte kousen
H. kleine hoed, jak: rood met korte mouwen, ondermouwen groen en voorzien van knoopsluiting, ondermouwen: groen, broek: nauw­slui­tend bruin

Ambachtslieden, vissers en het gepeupel

Zoals reeds eerder vermeld geeft de voornoemde opsomming de kleding weer van de gegoede burgerij in de tijd van 1500 tot 1600. Dit waren alleen die mensen met aanzien zoals bijvoorbeeld stadsbestuurders, edelen en handelaren die zaken deden met collega’s in andere steden.
Tijdens bezoeken aan bijvoorbeeld het jaarlijks gehouden bevrijdingfeest in Brielle, is duidelijk gebleken dat de Geuzenkostuums, die wij in Biervliet plegen te dragen en kennen als Geuzenkostuums, zeer luxe zijn. Veel Biervlietenaren kleden zich als de edelen uit die tijd.
In onze voorgaande optochten hebben we echter ook gezien dat met zeer simpele middelen, echte Geuzen ontstaan. Door het toepassen van bijvoorbeeld jute omslagen over een oude broek (liefst geen jeans), wollen sokken (eventueel gedragen over de schoenen) en het dragen van een wollen trui in egale kleur (bruin, rood, zwart, groen) of bijvoorbeeld een schapenvacht is een Geus snel en authentiek te kleden!

Beeldt u zich in dat de echte Geuzen beslist geen lieverdjes waren. De Bos- en Watergeuzen waren het uitschot uit die tijd. Vaak waren deze dieven en plunderaars die uit de dorpen en steden verbannen werden wegens hun slechte praktijken. Velen verschuilden zich in de bossen en gingen van daaruit ‘s nachts op pad om te voorzien in hun levensbehoeften. De Watergeuzen waren personen die na hun verdrijving kozen voor een bestaan op het water. Dit was een gevaarlijk bestaan door de slechte schepen, de hachelijke omstandigheden waarin gewerkt moest worden als vissers op de ruwe zee. Velen konden hiermee de kost niet verdienen en stapten daarom over naar een meer lucratieve bron van inkomsten: piraterij.
Deze achtergrond maakte deze personen zo geschikt voor Willem van Oranje om met en voor hem te vechten. Zowel de Bos- als Watergeuzen waren immers niet voor een kleintje vervaard en hadden eigenlijk niets anders dan hun eigen leven te verliezen………
Het waren deze Geuzen die op 21 april 1573 grote verliezen toebrachten aan de Spaanse vloot die onder leiding van Santio de Auila, Middelburg bevoorraadde vanuit Antwerpen! Het rijkelijke vloeien van bloed bij deze gevechten en de verminking van de lichamen der doden hierbij, getuigt van de ware aard van deze Geuzen!

Vergeet bij de kleding niet de details als oude voorwerpen en dergelijke en u bent gekleed voor de Geuzenfeesten!